Hij gaat gebukt onder het leven, een stoet van stoeptegels trekt aan zijn ogen voorbij.
Op kwade dagen mogen zijn voeten de voegen tussen de tegels niet beroeren en wordt het zebrapad een hink-stap-sprong.
Op bijzonder kwade dagen staat hij stil achter de voordeur en is de drempel te hoog.
Is hij een slachtoffer of een dader, een zieke zondaar of een heilige? De enkeling die hem waarneemt benoemt hem niet.
Niemand in zijn omgeving bemerkt dat hij een week lang geen tegels heeft gezien.
Na een maand rijst er hier en daar een vraagteken boven een geprikkelde neus.
Later staat er een stukje in de krant, vragen we ons af hoe dit toch mogelijk is tegenwoordig.
Wie was hij?

Blijkens een nogal neurotisch dwangmatig type? Aan de ene kant vertel je uit het perspectief van het slachtoffer en aan de andere kant van een observator. Keuzes, keuzes…
@Berdien. Mooi. Prachtige en goed gevonden openingszin.
@Lijmstok. Van de eerst tot en met de laatste regel gaat het over ‘hij.’
Het perspectief van het slachtoffer zij ik nergens terug.
Heel mooi verwoord, Berdien.
@Berdien. Mooi! Misschien dat voegen iets toepasselijker is dan gleuven. Maar dat doet geen afbreuk aan de inhoud.