Ik ben wilg en later
barstig, hol geknot.
Vaak met mijn tenen tot
de enkels in het water.
Mijn takken wars van zemel,
groeien wonderwel.
En razendsnel
tot in de hemel.
Naast schuil-, en nestplaats
voor gesnater.
Weerspiegel ik in ’t water
waar ik weerkaats.
Het moeilijkst moet nog komen,
als onderdeel van zoveel bomen.
De link te leggen, vertaalslag te maken
om tot het ras der mensen te geraken.
Mensen zijn geen wilgen, geen bomen zelfs geen bast
Mensen gebruiken ’t hout voor klomp en kast.
Wij willen wat ons het beste past.
Misschien ligt daarin de wijze les wel opgesloten.
Wij consumeren wat ooit aan d’aarde is ontsproten.
De mens die daaraan ontsnapt, behoort tot de waarlijk groten


Ik zou Essenhout altijd verkiezen boven wilgenhout. 😉
@arjan: ik vind dichtenden een 120-woordenstukje maken echtheel erg knap. En het gaat ook nog ergens over!
@Arjan.De eerste strofe spreekt mij, poëtisch gezien, het meeste aan. Vooral in de laatste twee strofes heb ik moeite met het metrum.
@Lijmstok en Lisette: Dank!
@Ewald. Dankjewel, dat geldt ook voor mij. Beetje mix van 120w en poëzieweek is best lastig. Zeker bij een gedicht waar minder vaak meer is. Denk dat ik ‘m nog een keer in 99 woorden giet.
Ik sluit mij volledig bij Lisette aan. Heel knap.
@Arjan. Knap geschreven, alleen op het laatst raak ik de draad een beetje kwijt.
@Alice. Dankjewel!
@Han. Dank. Ik ook! Kwam er gewoon niet uit. Toen maar doorgeschreven tot de 120 woorden op waren..
Wat zo’n wilg kan oproepen aan gedachten. We zijn ermee verworteld Arjan!