Anna heeft alles: mooie kleren, bijpassende tasjes en bontjassen.
Als enig kind in de watten gelegd waaruit ze nooit meer was teruggeveerd.
‘Zag ik jou laatst met een oude man…?’ vraagt ze aan een vriendin die niet alles heeft, maar genoeg.
‘Oude man, waar heb je het…?’
‘Ik weet het zeker. Hij had net kolen geleverd, want hij was pikzwart.’
‘Maar…’
‘Dat je zo’n man een zoen geeft. Bah! Kolenboeren en schoorsteenvegers zijn van het laagste allooi.’
‘Die oude man is mijn vader en die zorgt er anders wel voor dat ook jullie een warm huis hebben.’
‘O, dat wist ik niet. Mijn vader was bonthandelaar. Zorgde dus ook voor warmte. Hij is dood.’
‘Wat zielig.’
‘Ja.’
‘Voor die dieren.’


Je laatste zin brengt een glimlach op mijn gezicht.
@Han. Misschien goed om in een aanvullend stukje, speciaal voor de jongere lezertjes, het begrip kolenboer nader te verklaren. Toch wel bijna een halve eeuw geleden inmiddels dat dit beroep werd uitgeoefend. Ik denk dat veel jongeren bij een kolenboer aan een agrariër denken.
@Nele. Jouw glimlach is heel wat waard.
@Ewald. De jonge lezers hebben internet.
Han: ik grijnsde met Nele mee om je slotzin.
@Lisette. Fijn om te horen. Wie weet volgen er meer.