Er ligt een zakje bruingele rimpels in het bed. Ik moet zoeken waar het zacht snurkende geluidje precies vandaan komt, om haar wakker te kunnen maken.
Het is tijd voor de tabletjes en om de plooitjes glad te strijken.
Zacht aai ik over het perzikvelletje van haar wang. Er ligt een eeltig knuistje naast, de trouwring rammelt om een knobbelige satéprikker.
‘Wheh, adiéiéh’!
Haar felle zwarte oog kijkt me indringend aan.
Elke keer verwonder ik me over de enorme geesteskracht in dit uitgeteerde lichaampje. De kanker vreet al jaren haar herinneringen aan het fleurige Indonesië weg.
Ze draagt een wit laken in plaats van het witte zomergewaad op de foto naast haar.
Maar ze is hoe dan ook de baas.

Mijn (schoon) familie is ook Indisch.
Ik zie het helemaal voor me!