Toen de herfstwinden zelfverzekerd aan de bomen begonnen te rukken en oma Rascha steeds verder voorovergebogen ging lopen, toen wisten de vrouwen dat het tijd was. Uit hun klerenkast haalden ze de naar kamfer geurende kledingstukken, de bonte zakdoeken en de oude lakens, en togen naar het dorpshuis. Daar gingen ze zitten aan de tegen elkaar geschoven tafels met daarop nog de opgedroogde kringen van de pullen bier en de glaasjes schnaps die hun mannen die laatste avond vol branie achterover hadden geslagen. Oma Rascha zette de eerste steek voor de quilt. Ze deden er de hele winter over, de vrouwen, en toen de lente glanzende druppels toverde aan de ijspegels die voor de ramen hingen, konden ze eindelijk huilen.

Prachtig, Irma!
Mooi van sfeer, taal en beelden.
Een bijzonder verhaal.
(Opm. Uit de eerste zin kan het tweede ’toen’ weg)
Dank je, Nel. Al die ’toens’ staan er bewust in, omdat het een beetje archaïsche vertelling is.
Heel mooi Irma.
Erg mooi, Irma. Je roept een mysterieuze sfeer op rond een aardse emotie.
Bijzondere sfeer neergezet.