Eindelijk heb ik je as opgehaald bij het crematorium. Ik vraag me af of ik je tijdelijk in de schuur kan zetten.
Laatst dacht ik je te zien bij een poëzieavond op het balkon in de schemer. Je gaapte zoals je dat thuis ook deed. Want je houdt niet van poëzie.
Ik zie jou soms in het gezicht van een voorbijflitsende fietser.
Ik hoop dat je begrijpt dat ik nu doe wat goed voor mij is. Dat ik blij ben met wat je me leerde. Maar dat het nu tijd is om de schepen achter me te verbranden. Ik wil nu leven.
Op de foto die voor me staat, lach je als een rimpelige Boeddha. Alsof het zo goed is.

Herkenbaar, Robbedoes. Soms zie ik het gezicht van mijn moeder in iemand op straat. Een urn met haar as staat onderin mijn dressoir.
Dank je, Ewald.
Helemaal weg zijn dierbaren gelukkig nooit.