‘Ziet u dat streepje, dat openingetje? Daarachter is haar mond. Doe het rietje er maar voorzichtig doorheen; ze zal wel dorst hebben.’
Ze lijkt wel een mummie.
Of ze tegen de operatie had opgezien weten haar vriendinnen niet. Door de vele eerdere ingrepen is haar gezicht zo uitdrukkingsloos geworden als dat van een buikspreekpop. Haar lach is enkel nog maar te horen. Haar mond lijkt op de bek van een algeneter in een aquarium.
Het was tijd voor wat stringentere ingrepen. Alles wat nodig was, werd in een keer gecorrigeerd. Ook haar oren, die iets afstaan, wat zichtbaar is als d’r haar uit haar gezicht waait. En die ene tepel die wat uit het midden zit, kon gelijk rechtgezet worden.


Ik had nog een witregel gezet tussen het spreekgedeelte en de zin ‘Ze lijkt wel een mummie.’ Voor de duidelijkheid. Nu lijkt het net of de zin ‘Ze lijkt wel een mummie.’ ook uitgesproken wordt door iemand.
Op zich een grappige zin ook. ‘Ze lijkt wel een mummie.’ Waarbij ‘lijken’ dan een soort nieuw werkwoord wordt. Het stukje transcedente meditatie dat vervolgens volgt werkt op mijn lachspieren. Huilspieren bestaan immers niet.
Heette de vrouw waarover het gaat toevallig Linda? Elastieken Linda. Zoiets als kokette Kathinka maar dan net even anders.
@Mien. Dank je. Een witregel kan, maar ik denk dat een nieuwe alinea volstaat. Het hele stukje is immers een overpeinzing. En ik houd niet zo van witregels. Linda is inderdaad mijn inspiratiebron: hoe iemand haar gezicht kan verpesten!
Ja, weinig is meer echt, hè, Han in deze wereld? Maar was mummificeren dat destijds? Je stukje stemt tot overdenking.
Dan niet.
@Levja. Nee, natuurlijk was dat niet het geval. De enige overeenkomst van de vrouw met een mummie is dat ze er zo uitziet.
Je kunt ook te volmaakt willen wezen, Linda was ooit zo leuk
@José. Dank je, ook voor je andere reactie. Sterker nog: het is helemaal geen verbetering.