Ik werd wakker toen de trein mijn straat inreed. Hij stopte voor mijn huis. Vanuit mijn slaapkamer zag ik dat mannen uit de trein kwamen, mijn huis binnenliepen, en alles meenamen.
‘Hé,’ riep ik, ‘dat kan toch niet?’
Maar niemand gaf enige aandacht aan me. De mannen namen alles mee. Geluk, verdriet, sores. Ik zag mezelf de trein ingedragen worden als grommetje, als student, als minnaar, als vader, als …
Toen brak ik. Ik kromp ineen en huilde. De mannen gingen gewoon door. Misschien keken ze naar me, maar er was geen teken van medeleven, van aanstoot, van wat dan ook.
Om half vier reed de trein weg. Ik bleef achter in mijn huis, slenterde door mijn kamers. Alles was weg.

Gijs, je bent in vorm vandaag!