Ik dacht dat ik een mus was.
“Je bent geen mus,” zei mijn vrouw.
“Mens,” zei ik kwaad, “kun je dat niet iets tactvoller zeggen. Ik heb ook gevoel.”
“Sorry,” zei ze.
Ik dacht dat ik een duif was.
“Wil je even brood halen?” vroeg mijn vrouw.
“Ja hoor,” zei ik. Ik vloog naar de bakker, kocht een brood, en vloog weer terug. Toen bedacht ik me dat ik geen duif was. Kwaad liep ik naar mijn vrouw om verhaal te halen.
“Waar ben je mee bezig, mens,” zei ik. “Had je me niet even kunnen waarschuwen? Snap je niet wat voor figuur ik sla als ik door het dorp vlieg?”
“Sorry,” zei ze.
Vrouwen. Ze leren het ook nooit.

Grappig.
Ha, ha. Ja, mensen zijn rare vogels. En toch vliegt men graag steeds terug naar het warme nestje. Wat er verder ook te halen valt …
Grappig stukje. Die laatste alinea, met de twee laatste zinnen, vind ik iets teveel ’tell’. Ik had liever niet gezien dat je de betekenis er nog even letterlijk oplegt. Maar goed, dat is mijn mening. Doet niks af aan het feit dat ik het een mooi stukje vindt. Leuk bedacht.
Leuk stukje Gijs