Langzaam tel ik tot tweehonderd. Precies zoals hij het me had gevraagd. Maar dit keer houd ik mijn ogen open. Ik zie mezelf tegenover me. Ouder, met meer rimpels. Over zijn schouder kijk ik de straat op. De straat die ik vanuit mijn jeugd ken. De hoek waarachter hij onvindbaar bleek.
Ik sta in de deuropening van mijn ouderlijk huis, dat nu mijn eigen huis is. Mama is dood.
‘Tel maar langzaam tot tweehonderd jongen.’
Ik hoorde zijn voetstappen. Hij liep snel, het was geen hollen. Links de straat uit.
Toen ik op zoek ging, was hij onvindbaar. Eenentwintig jaar lang.
Ik steek mijn hand uit en tik hem op zijn bovenarm.
‘Buut papa.’
Daarna beginnen we samen te huilen.


Mooi, Hadeke. Ook erg wrang. Helemaal tot 200 tellen is al veel en dan ook nog eenentwintig jaar moeten wachten.
Sterk verhaal, Hadeke. Vooral dat “Buut papa” komt binnen.
(Wat mij betreft zou dat ook goede slotzin zijn geweest)