Jaren die druppelend versmelten. Het is als een kraan die nooit op toe staat. Ik pers de woorden door de leiding. Vloeiend, soms haperend kletsen ze neer: van dingen toen ik klein was.
Rijden op een fiets te groot, vallen, mijn knieën openrijten. Onder de tafel stilletjes mezelf doen verdwijnen. Zien hoe mijn moeder ongerust mij vruchteloos zoekt.
De tijd rijdt als een trein. Met grote snelheid glijdt hij mijn seizoenen dichterbij.
Van kinderstappen zetten, puberen, vrijen in de lente. Nu zelf ervaren wat ik van mijn ouders nooit geloofde. De regen en de drop van ouder worden. Later, naar ik hoop met vertraging, het laatste station binnenrijden,
Ik ben tevreden, maar ook triest om wat ik straks moet achterlaten.


Recente reacties