Nee, dat mag niet.
Nee, niet aankomen.
Ik kruip op mijn knietjes door de kamer.
Mij krijgt ze niet klein.
Wat heb ik nu gezegd?
Niet aankomen.
Ik trek me langzaam omhoog aan de tafelpoot.
Mijn knuistjes omklemmen het tafelblad.
Wel verdorie, wat heb ik nu gezegd.
Afblijven.
Ik waag een nieuwe poging.
Het gaat me steeds makkelijker af.
En nu is het afgelopen.
De kamer uit.
Nog een keer proberen.
Het witte tafelkleed schuift langzaam van de tafel.
Mama is even spoorloos.
Ik tril op mijn kleine beentjes.
Het potje komt steeds dichterbij.
Tafelkleed en potje glijjden over mij heen.
Ik hoor een krijsend geluid.
Een mamasirene slaat op tilt.
‘Hyperintelligente terrorpeuter komt om door peperspree!’
Kopt de Telegraaf.

Het begon zo mooi, maar de plot wordt er een beetje ‘aan zijn haren’ bij gehaald voor mijn gevoel.
Mamasirene daarentegen is pure dichtkunst. 🙂
Herkenbaar verhaal, maar op het einde raak ik een beetje de draad kwijt.
Zit de peperspree in het potje? Waarom beschrijf je dan enkel de mamasirene en niet het gevoel? En waarom zet de mama dan dat potje in godsnaam ergens waar de baby aan kan?
Of is het (kwaadaardiger) de moeder die de peperspree als straf gebruikt?
Ook spreek je over een peuter, maar in de rest van het verhaal lees ik toch eerder een baby, die al kan kruipen maar nog niet kan stappen. Het hyperintelligente haal ik er ook niet uit.
De peuter had veel haar en was fysiek een beetje ‘gehandicapt’. De moeder was kwaad. Niet aardig dus. Je wil niet weten hoeveel mensen de gevaarlijkste vloeistoffen binnen bereik van kleine kinderen (lees: peuters) bewaren. Sommigen misschien wel met opzet. Uit plaatsgebrek.
O ja, en dat hyperintelligente komt voor rekening voor de Telegraaf. ?
Glijden heeft een ‘j’ te veel, lees ik nu. Toch maar eens wat vaker mijn leesbril opzetten. Zo’n hekel aan dat ding. Grrrrr….