Zij zorgde voor de vrouw van een echtpaar. Hij was diplomaat geweest en dronk jenever. Zijn vrouw volgde hem, van standplaats tot standplaats. De laatste was in Afrika. Vandaar nam de vrouw een papegaai mee die Engels en Frans sprak en de harmonie zong. Nu was zij stervende aan kanker.
Wanneer zij de voordeur ontsloot, glinsterde de gang die naar het toilet leidde van excrementen. De geur nam zij voor lief wanneer zij schoonmaakte. De man zat op de bank en tastte naar zijn jenever. Zij ontkleedde de vrouw, bang haar te breken. Eenmaal gebaad, voerde zij haar de soep die zij meebracht. De man dronk door en veilde haar zilver. De papegaai heeft de vrouw haar mee willen geven.

@Mili. Ik vind dit een waanzinnig intrigerende tekst, omdat het leed dat er uit spreekt, bij elke herlezing groter, sterker en anders tevoorschijn komt. Net een diamant, die bij de geringste verandering van lichtval een andere gedaante aanneemt. Hartje vanzelfsprekend.
” Nu was zij stervende aan kanker.” Wie? De Zij uit de openingszin? De papegaai? Of de vrouw van de jenever drinker?
Misschien wil je op deze manier de huishoudelijke hulp anoniem houden, maar het maakt het wel lastig lezen als je steeds zij gebruikt, ook in de tweede alinea. Voorts vind ik het wat bevreemdend dat ontlasting kan glinsteren.
@Peter, te veel lof. 😉 Het leed is wreed en onbeschrijflijk, dat heb je heel goed gelezen. Dank je.
@Anoniem van 11:43: ik houd niet van anonieme reacties. Ik denk integendeel dat de tekst helder is als je de moeite neemt goed te lezen. Jeneverdrinker is één woord. En dat het glinsterde komt wellicht van de medicijnen of het marmer waar het op lag. Opgetekend uit de mond van de niet-anonieme zij.