Het is koopavond. In het schemerdonker vind ik de winkel waar ik mijn groente wil halen. Het is er druk en benauwd. Met moeite reken ik mijn witte kool in het gedrang af bij de kassière. Eenmaal buiten is het licht fel. Dan zie ik mijn moeder een winkel inlopen. Ze is groot en sterk als in mijn kinderjaren. Gehaast sleept ze mijn onwillige vader mee. Opgetogen en verbaasd loop ik naar mijn moeder: ‘Ik dacht dat je niet meer kon lopen?’ ‘Ik ben weer helemaal de oude,’ zegt ze trots.’ Ik voel me blij worden: ‘Dus je woont weer thuis?’
Ik word wakker; mijn moeder is een week geleden verhuisd naar een verzorgingstehuis en dat doet wat met je.


Nou, dat doet zeker wat met je. Ik dacht wel dat het een droom was, omdat het licht niet zo snel kan veranderen.
Mooi om weer iets van je te lezen.
Het is wel ‘de schemer’.
‘Het schemerlicht’ kan natuurlijk ook.
Verhip! Dat moest schemerdonker zijn.
Ik vermoedde al zo iets. Kon me niet voorstellen dat je ‘het schemer’ bedoelde. Schemerdonker is ook veel mooier!