Hij veegt zijn handjes zachtjes over elkaar en wrijft af en toe ook even door zijn haar. Daarbij glijden de handjes ook heel even over de oogjes. Voldaan van de maaltijd laat hij een miniboertje. Haast onhoorbaar.
De zon schijnt lekker. Een mager laat herfstzonnetje. De afbraak in de natuur is begonnen. Bladeren nestelen zich rondom plantenstronken en houden de bodem lekker warm. Niemand klaagt nog over vorst en kou. Het zal niet lang meer duren. Gelukkig maar.
Zijn eeuwige honger is niet te stillen. Hij heeft zojuist nog gegeten, zijn buikje rond. Alles netjes afgekluifd. Een waar feestmaal. Hij heeft niet veel meer overgelaten. De rest is voor de pieren, de echte aaseters der natuur. Hijzelf zuigt liever poep.

@Mien, heel verrassend, dit stukje van jouw hand, met name door de onverwachte slotzin die trouwens heel goor staat. In het begin denk je met een lekkere bolle baby te maken te hebben – ik kijk in eerste instantie nooit naar titels – en dan pak je de lezer. Twee keer lekker die elkaar snel opvolgen, vind ik niet lekker staan. Hartje.
Ik zie de vlieg voor m’n ogen. Hartje.
Het is weer leuk en goed, Mien. Hartje en groet,
Han Maas
Mooi vanuit de ogen van de vlieg beschreven.
De tweede alinea snap ik niet goed. Kijkt hij uit naar de vorst? Overleven vliegen dat? Sowieso denk ik niet dat die meerdere seizoenen meegaan, dus dan kan hij toch het concept vorst niet kennen als het nu herfst is?