Hij leunde achterover in de kussens van de loungestoel. De wind gleed langs de glazen schermen die rond het terras stonden en speelde met zijn haar. Af en toe werd zijn huid geraakt door opwaaiend zand, korreltjes bleven hangen in zijn baard. Het was dorstig weer.
Hij bestelde met een handgebaar nog een pilsje, ijskoud. De serveerster bracht het hem. Ze zette het glas neer op het tafeltje van hip steigerhout. Hij rook haar zweet. Het droop als tranen langs haar kaak.
Hij zweeg. Zij zweeg.
De stilte was onwerkelijk zonder het krijsen van zeemeeuwen en het rollen van de branding. De verzengende hitte van de meteoorinslag had de stad tot die ene strandtent gereduceerd, de wereld tot een strandvlakte.


Recente reacties