Mijn hoofd bonkt en mijn tong voelt aan alsof ik een asbak gebeft heb. Achter mij snurkt een blonde, tweehonderd kilo zware pudding met snor, een gat in de matras. Kreunend hijs ik me over de rand van het ledikant en schop, struikelend over biermunten, zijn schoenen aan de kant. Mijn broek staat in de hoek en ik hijs me er in. Voorzichtig strompel ik de trap af.
Op de bank rekt mijn vrouw zich uit en vraagt chagrijnig: “Wie ligt er godverdomme in ons bed?â€
“Ssst, zachter alsjeblieft. Wat zeur je nou?â€
“Geen carnavalsvluggertje?â€
“Meer een vluchtertje.â€
“Hoezo?â€
“Wij hebben een deal. Hij heeft ook een vreselijk wijf en vannacht is het mijn beurt, dan slaap ik bij hem.â€


Nou, had ik hem natuurlijk al gehoord in De Pas.
Maar nu lees ik het, en knijp voor dat ik in mijn broek plas.