In onze begintijd, wanneer ik zei dat we moesten afwassen, trok jij een vies gezicht. Het kostte je zichtbaar, en soms hoorbaar, moeite om overeind te komen om me te helpen. Toch deed je het elke keer. Je kwam erachter dat het prettig was om een leeg aanrecht te hebben, en om niet ’s morgens eerst je ontbijtspullen te hoeven schoonmaken voor je kon ontbijten, maar ja, dat afwassen… Langzaamaan veranderde je en zei je weleens, ‘Een kwartiertje werk, wat is het nou helemaal?’ En af en toe nam jij zelfs het initiatief: ‘Moeten we nog niet afwassen?’
Op het laatst kon jij niet meer helpen. ‘Arme schat,’ zei jij dan, wanneer ik opstond om de afwas te gaan doen.


Recente reacties