In de tweede klas van de middelbare school moesten wij een gedicht voordragen. Een klasgenoot had gekozen voor de Blauwbilgorgel van C. Buddingh’. Hij begon, maar kwam niet verder dan de eerste regel: “IK ben de Blauwbilgorgel.” Na enige hulp van onze leraar over de vader en de moeder van de Blauwbilgorgel, wist hij nog uit te brengen: “En daar komen rare kind’ren van.” Hulpeloos keek hij de klas in. Wat mij betreft leek hij nu op de Blauwbilgorgel.
In de oorlog was er een verzetsgroep die zich de PP-groep noemde. Ze hielden zich bezig met de joodse onderduik. Ze hadden zich vernoemd naar Porgel en Porulan. Dat waren de ouders van de Blauwbilgorgel. En zo komen dingen bij elkaar.


Hartje voor de jongen! Gedurfde keuze versus een bende cultuurbarbaren in spe….
Raban, raban!
Met ontroering gelezen.
Toch…. om voor te dragen bijna HET gedicht, ’t loopt ritmisch als een tiet, rijmt, heeft een duidelijke ‘story’in de coupletten en een refrein.
’tZelfde geldt ook ook voor ‘Boerke Naas’ van Guido Gezelle, dat leest als een stripverhaal.
Buddingh’ schreef ‘De blauwbilgorgel’trouwens tijdens WO II in het sanatorium.
Chris
@Mas leuk stukje