Mijn moeder zei altijd; ‘Tegenslag maakt je sterker.’
Nu hier, zittend op een smalle richel, zo’n zevenhonderd meter boven de grond, bang en verkleumd, probeer ik daar kracht uit te putten. Tegelijkertijd weet ik dat dit wel eens het einde zou kunnen zijn.
De rode jas van Herman, waarvan ik af en toe een glimp kan opvangen, zie ik vijftig meter onder me bungelen. Gisteren, toen hij viel, heb ik geroepen maar de wind nam mijn stem mee en nam het hoopvolle geluid van me af. De mueslirepen heb ik al op. Ik weet niet hoe lang ik dit volhoud, mijn benen zijn gevoelloos, mijn wil om te overleven bijna bevroren.
Als ik dit overleef dan… Wacht! Ik hoor iets…


Daar moet je wel ijzersterk uitkomen dan…
Mooi.