Op het knippen van twee amandelen en een stuk meniscus na, mag ik de laatste halve eeuw bepaald niet klagen.
Voor mijn tiende lag dat drastisch anders. Vanaf mijn zesde lag ik anderhalf jaar met tering in een sanatorium, waar Duitse nonnen de billen van weerspannige kindertjes met de achterkant van een houten handveger bewerkten.
Dialect spreken was streng verboden, zodat ik na mijn genezenverklaring op mijn Limburgse plattelandsschool als een marsmannetje gezien en behandeld werd.
Scheel was ik ook, waardoor ik een paar jaar later in het ziekenhuis belandde. Daar ervoer ik het tegenovergestelde probleem. Op de vraag wat ik wilde eten, wist ik niets beters te antwoorden dan ‘un botterham mit sjink’.
Ik kreeg er een met jam.


Aangezien ik tot de 27e in Nieuw-Zeeland verblijf, (niet echt een straf 😉 mag ik wel zeggen) wilde ik van het themawoord voor deze gelegenheid ‘sandwich’ maken. Helaas deed dat woord geen inspiratie bij mij opborrelen, vandaar die ‘botterham’. 😉
@Hay, leuk stukje. Ik zou de laatste 2 woorden weglaten. Dan is de laatste zin een -naar mijn mening- een leukere uitsmijter.
Die jam was eigenlijk de enige onzekerheid in het stukje. Het kan ook pindakaas geweest zijn. Toch geef ik je gelijk. 😉
@Hay, veel krachtiger zo.