‘Hallo!’ roept ze al bonkend op de poort.
‘Doe eens open!’
Vanachter de deur klinkt gestommel, het schuifje van het driehoekige kijkgat wordt geopend. Een stralend oog komt tevoorschijn.
‘Kunt u de deur opendoen? Ik wil graag naar binnen.’
‘Waarom wilt u naar binnen?’
‘Ik word verwacht, lijkt me zo.’
‘Verwacht?’
‘Verwacht ja. Ik ben een goed mens.’
‘Is dat zo? Heeft u vergeven?’
‘Luister, ik was dominee. Ik weet alles van vergeven.’
Een tweede schuif wordt geopend. Ze tuurt er doorheen. In de verte ziet ze bekenden. Ze ziet hoe jonggestorven dierbaren even oud als de dag van hun overlijden zijn gebleven. Ze voelt haar levenslang sluimerende woede opkomen.
‘Here God, waarom!’
Met een zucht worden de schuiven gesloten.


Stof tot nadenken.