Het was een hete dag in midden Duitsland, halverwege de jaren zestig. Ik werkte er toen als vakantiekracht in een psychiatrische inrichting, die door de patiënten en de dorpsbewoners het gekkenhuis werd genoemd.
Op een avond liep ik door het groen naar een van de paviljoens. Ik hoorde een arts een collega begroeten met ‘Heil Hitler’. De andere echode dat na; ze hadden me niet aan zien komen lopen en zeiden tegen mij ‘Grüss Gott’.
‘Ja, das ist der Hollander’, hoorde ik toen. ‘Bei Arnhem sind doch vielen gefallen, nicht.‘ Hij lachte er luid achteraan.
Sommige patiënten hadden last van oorlogstrauma’s. Deze mannen hielpen hen ervan af!
Wie is er nou gek hier, dacht die jongen van achttien uit Nederland.


@Jose, inderdaad te gek voor woorden!
Hoi José!
Die oorlog doet me altijd wat. <3
Twee taalzeurtjes:
– achteraan (aaneen)
– ervan af is m.i. juist, omdat het "ervan afhelpen" is.
Lijkt me inderdaad een heel gekke gewaarwording.
Dank Leo en anderen; ik heb het nog wat aangepast. die kleine taaldingen zijn toch wel belangrijk, ervaar ik niet als gezeur.
Overigens het verhaal is grotendeels authentiek, die Hitlergroet werd daar door de mannen die zich onbespied waanden gebracht. In de jaren zestig waren de mensen die in hun jeugd door Hitler waren geïndoctrineerd, inmiddels rond de veertig; ik heb de indruk dat een verderfelijke ideologie nog tientallen jaren kan doorwerken, alhoewel vaak niet openlijk. Met deze observatie probeer ik dat duidelijk te maken.
José, goed en duidelijk beschreven. Wel een gewaarwording op je achttiende.
De oorlog…ja…Dat kun je inderdaad interpreteren als gekkenhuis. Zeker voor zo’n jongeman.
Ik vind het lastig om te switchen van ik-vorm naar ‘die jongen van 18’. Misschien kan de info over wie ‘ik’ is wat subtieler in het verhaal worden verwerkt. Maar de laatste zin ‘wie is er nou gek’ moet er natuurlijk wel blijven.