De jongen loopt stilletjes naar de anderen. Ondanks de oranje gloed van het kampvuur, herkent hij hun gezichten nauwelijks tegen de achtergrond van de inktzwarte lucht. Hij huivert. De warmte van het kampvuur kan zijn verkleuming niet wegnemen. De liedjes die de gitaar speelt komen hem vaag bekend voor.
Hij tikt een jongen op de schouder, voorzichtig, alsof die breekbaar is. “Wil je even opschuiven, Peter?”
De jongen draait zich half om en kijkt hem aan alsof hij niet goed bij zijn hoofd is. De anderen stoten elkaar aan en beginnen te gniffelen. Niemand verroert zich; de kring blijft gesloten.
Hij kijkt naar de grond. Hij voelt de brief in zijn zak en beseft dat het allemaal geen verschil maakt.

Recente reacties