De Olympics tonen onze roots. Soms slingeren we behendig aan een tak, torsen rotsen in de hoogte, dan weer vluchten we pijlsnel weg voor gevaar, over land of door het water. Bij een aanval slingeren we keien naar de vijand. Als de speer het doel heeft gemist gaan we het zwaardgevecht niet uit de weg, evenmin – als het moet – de fysieke confrontatie. Met pijl en boog voorzien we ons van proviand.
De rituelen hebben de tand des tijds doorstaan, maar de beloning ziet er tegenwoordig wel wat mager uit: abstracte getallen op een scorebord of, bij succes, een stukje metaal aan een lint. Dat weegt natuurlijk nooit op tegen de oerbeloning: paren met alle vrouwtjes van de stam.


Ik houd niet zo van “we-stukken”. Meestal klopt dat “we” niet. Dat is ook hier het geval. Zo blijkt uit de laatste woorden.
Uit onderzoek naar de seksuele aantrekkingskracht van topsporters blijkt dat de oerbeloning nog niet veel is veranderd.