Hoe gemakkelijk gleden we van de weg – hop, het besneeuwde ravijn in. Alsof het normaal was, alsof het zo hoorde. Ik bestuurde de auto, J zat naast me, Floor op de achterbank. Eindeloos en steeds sneller vielen of schoven we naar beneden, de dood tegemoet.
Gelukkig werd ik tijdig wakker, nog wel verbaasd hoe ik met die snelheid heelhuids had kunnen uitstappen. J, die ook ongedeerd was, zei: “Floortje is dood.”
Maar dat was ze al voor we gingen slapen.

Recente reacties