Ik bevind me op een terrasje in mijn woonplaats met zicht op een wandelboulevard. Ik observeer mijn medemens, cappuccino nippend en lees ongeamuseerd de columniste van De Volkskrant.
Uit het aan de buitenzijde verblijvende verkooppunt van de Hema stapt een tot corpulentie neigende dame met een dampende rookworst om in haar volle glorie in het diffuse zonlicht een fikse hap van deze oer-Hollandse lekkernij te nemen. Ik huiver, ondanks de hitte. Een spoortje mosterd lekt op haar uitbundige decolleté om in rap tempo de zwaartekracht gehoorzamend op ontdekkingstocht naar lagergelegen contreien te gaan. Ik huiver opnieuw, de route van de mosterddruppel visualiserend.
Tja.
Ik lees moeizaam verder, de rookworstdame op mijn netvlies. Een hysterische kinderanekdote. Leefde Martin Bril nog maar.

De schrijver ziet hier kans om de(ze) lezer onmiddellijk het verhaal in te trekken. Dat komt niet in de laatste plaats doordat het geheel in de tegenwoordige tijd is geschreven. In de eerste alinea wordt de ik-figuur uit het verhaal duidelijk neergezet en de lezer kan zich handenwrijvend van de pret af gaan vragen wat er staat te gebeuren. Wat gaat de ik-figuur zien of meemaken waardoor hij zijn interesse in de krant helemaal zal verliezen?
Ondertussen vraagt de(ze) lezer zich wel af of het mogelijk is, al dan niet geamuseerd, te lezen en tegelijkertijd medemensen te observeren. Observeren van mensen houdt namelijk in dat men doelgericht kijkt naar het gedrag.
Maar dan volgt de zin: “Uit het aan de buitenzijde verblijvende verkooppunt van de Hema stapt een tot corpulentie nijgende dame met een dampende rookworst om in haar volle glorie in het diffuse zonlicht een fikse hap van deze oer-Hollandse lekkernij te nemen.”
Deze zin is onduidelijk, schept verwarring en het ontbreken van komma’s lijkt daarmee te maken te hebben. Wanneer het hier om een quiz ging, zou ik deze zin niet herkennen als een zin van deze schrijver.
Neem nu het eerste deel van de zin: “Uit het aan de buitenzijde verblijvende verkooppunt van de Hema stapt een tot corpulentie nijgende dame”. Zoals het er staat, stapt de dame uit het verkooppunt. Ik weet niet goed wat ik me hierbij voor moet stellen. Waar stapt ze precies uit? Als “uit” het tegengestelde is van “in”, wanneer is iemand dan in een verkooppunt? De dame bevond zich in geen geval “in” de HEMA, want het verkooppunt bevond zich aan de buitenzijde van genoemde winkel. De schrijver zal niet bedoeld hebben dat de dame achter de toonbank stond en toen via een (halve)deur het verkooppunt uitstapte.
Het volgende deel van de zin -samen met een deel van het voorgaande- geeft enig inzicht in de bedoelingen van de schrijver: “stapt een tot corpulentie nijgende dame met een dampende rookworst om in haar volle glorie in het diffuse zonlicht …”
Nu wordt duidelijk dat de dame in diffuus zonlicht gestapt is. De(ze) lezer kan nu concluderen dat de schrijver wellicht bedoeld heeft, dat de dame uit de schaduw van de overkapping van het buiten de winkel gelegen verkooppunt, in het (diffuse) zonlicht gestapt is.
Ze stapte dus niet van binnen naar buiten, maar van de schaduw in de zon. Niet dat dat er staat.
Er zijn meer obstakels in deze zin. Wat te denken van “een tot corpulentie nijgende dame met een dampende rookworst om in haar volle glorie ”. Waar heeft ze die rookworst? Dat zal in haar handen zijn, of juister: het zal in één van haar handen zijn. Of wat meer abstract: in haar bezit. Maar dat staat er allemaal niet. Er staat dat ze een dampende rookworst om heeft.
Ik neem aan dat die dame die worst gekocht heeft “bij” het verkooppunt van de HEMA. Ze heeft hem niet “in” de HEMA gekocht, noch “in” het verkooppunt.
Zo redenerend komt (de)ze lezer tot te conclusie dat men “bij” een verkooppunt kan zijn, niet “in” een verkooppunt. Waar je niet “in” bent, kun je ook niet “uit” stappen.
Een dampende rookworst is heet. Het zal niet lukken om dan een fikse hap te nemen. Veel logischer zou het zijn wanneer de dame, na enig blazen, voorzichtig een hapje zou nemen.
Wellicht geheel onbedoeld, wordt hier het beeld neergezet van een wat te zwaar mens welke zich gulzig op vettigheid stort.
De ik-figuur huivert en daarmee wordt de suggestie gewekt dat de ik-figuur zo’n worst maar smerig vindt. Erger, voorbijkomende lezers van dit stuk zouden kunnen denken dat de ik-figuur huivert bij het zien van een wat zwaardere dame, welke in een worst hapt. En dat huiveren lijkt niet van een prettige soort opwinding te zijn.
Wat bedoelt de schrijver hier: “Een spoortje mosterd lekt op haar uitbundige decolleté om in rap tempo de zwaartekracht gehoorzamend op ontdekkingstocht naar lagergelegen contreien te gaan.”
Hoe kan een lage uitsnijding aan de halsopening van een dameskledingstuk uitbundig zijn? Zou de schrijver de boezem van genoemde dame bedoelen? Dat daar veel van de zien is, vanwege dat decolleté? Maar … hoe uitbundig kan een boezem zijn? En is daar een decolleté voor nodig, ingeval het zou kunnen?
En hoe moet die zin verder opgevat worden? Wat bedoelt de schrijver precies? Gehoorzaamt het spoortje mosterd in rap tempo de zwaartekracht, of slaat dat “in rap tempo” op de ontdekkingstocht naar lager gelegen contreien?
Waarbij deze lezer de aantekening maakt dat een spoortje mosterd er nauwelijks een rap tempo voor wat dan ook op na zal kunnen houden. Mocht er een spoortje mosterd op een boezem terechtkomen, zeker wanneer die boezem enige omvang heeft (wat hier door de schrijver wel gesuggereerd wordt) dan zal dat spoortje mosterd zo traag als stroop zijn.
Deze lezer kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de schrijver met opzet een vlot-ogend stuk heeft geschreven, met kenmerken waardoor een lezer al gauw het plaatje voor zich ziet, misschien zelfs zonder te merken dat er van de inhoud niet veel klopt.
@InekeWolf, ik ben het niet geheel met bovenstaande eens. Voor de rest wel.
Nou, Bob zit weer aan z’n reactiequotum in elk geval.
Dank Ineke voor je exegese.
Graag gedaan, ik heb me ermee vermaakt, Bob
Hoe gaan we al deze fouten noemen? Geen taal-, of stijlfouten, maar fouten tegen de logica?
Goede vraag.
Het leert mij wel dat ik die korte kutstukjes hier ook mijn lieftallige editor moet laten zien om er op te schieten.
😉
Ben het bij nader inzien niet met elk door jou vermelde punt eens, maar acht het onnodig om over futiliteiten een dispuut te starten. Ik zal het alsnog voorleggen aan mijn eigen strenge schrijfmeesteres.
Ik denk dat je het gros van de alhier geposte stukjes op dezelfde kritische wijze kunt fileren en voel me derhalve vereerd.
Observeer mijn medemens, tot corpulentie nijgende dame, Hemaworst, Volkskrant, Martin Bril….
Goedkoper kun je er niet aan komen.
Precies.
Nijgen?
@Ineke. Heb je nooit een Hema bezocht? Nou, moet je horen, daar heb je van die verkooppunten waar je in en uit kunt stappen met een snelle hap tussen je vingers. En dat spoortje mosterd, bij het lezen zie ik het helemaal voor me.
@Bob, daar heb je vast gelijk in.
Ik heb altijd gelijk.