Ik zag het voor het eerst tijdens een uitzending van de olympische spelen. Een hartje maken met je handen. Mijn gezwollen ergernisknobbel klopte steeds harder tegen mijn schedel. In mijn hoofd doemden spookbeelden op van kassières die hartjes maken als je afgerekend hebt, van agenten die hartjes maken als je fietsverlichting werkt.
Ik probeerde het malen in mijn hoofd tot stilstand te brengen. Te laat. Ik voelde een pijnlijke steek in mijn hartstreek en moest 112 bellen.
Ik mag weer naar huis. Ik ben er met een stent van afgekomen. De specialist legt me uit dat ik meer moet bewegen. “Voor uw hart,” zegt hij streng en maakt een hartje met zijn handen. Ik voel een steek in mijn hartstreek.


Speciaal voor jou. Een hartje.
Wat is er mis met de opgestoken duim?
De protagonist heeft moeite met een positief bedoeld gebaar. Of hiervoor een behandeling bestaat is me niet bekend, maar ik heb wel met hem of haar te doen.