‘Hier neem maar over.’
Dit is mijn kans. Eindelijk opereren op een levend mens, die onder volledige narcose is gebracht. De handelingen heb ik voldoende geoefend. Ik ben gewend aan de geluiden en de mensen om me heen. Toch voel ik mijn hart bonzen.
Rustig blijven. Juiste instructies geven. Letten op wat de anderen zeggen. De chirurg blijft eindverantwoordelijk, houd ik mezelf voor.
De ingreep is relatief simpel, maar toch kan er nog steeds van alles mis gaan.
Ik weet mijn handen onder controle te houden.
Dit gaat goed.
Dan valt de hartslag weg. De monitor piept aan één stuk. Dit klopt niet!
Ik draai me om en zie de chirurg een stekkertje omhoog houden.
‘Even uw stressreactie testen, collega.’


zweten 🙂
zweten 🙂
Spannend! Met de laatste zin kan ik toch nog onbekommerd de slaap gaan vatten.
Goed geschreven en een onverwachte clou.
Opmerking: je bent hier niet consequent in het gebruik van aanhalingstekens.
Bedoel je dat ‘Dit klopt niet!’ beaanhalingstekend zou moeten?
‘Rustig blijven. Juiste instructies geven. Letten op wat de anderen zeggen. De chirurg blijft eindverantwoordelijk,’ houd ik mezelf voor.
Dit wordt toch door de ik-figuur gedacht/gezegd?
Dat is met aanhalingstekens.
Vanaf regel twee is de ik-figuur ook aan het woord, maar dan met aanhalingstekens.
Later in het stuk weer zonder.
Misschien lees of begrijp ik hier niet goed.
Aha, zo bedoel je het.
De ‘Rustig blijven…’ zin wil ik benadrukken als een geluidloos uitgesproken zin door en naar de ik figuur. Vandaar dat dan eigenlijk ‘Dit klopt niet!’ ook aanhalingstekens zou moeten hebben.
De andere zinnen zijn de beschreven gedachten. Vandaar het aanhalingsteken-gebruik.
Dan begrijp ik mijn verwarring. Ik zou hier toch proberen die nadruk op een andere manier op die woorden te leggen.
Zoiets?
Ja, zoiets. Dan is er geen verwarring bij (de)ze lezer. Maar dan zij die verwarring heb ik je stuk wel verschillende malen per keer dat ik las, gelezen. 😉