Iedere dag weer stond hij daar, tussen de penetrante geur van vis en kippenstront, met zijn vertrapte schoenen in de drab, zingend over onmogelijke liefde.
Zijn stem was nauwelijks mooi te noemen, eerder wat te lomp voor de frivole luit. Toch, als hij ‘s avonds zijn hoed op tafel omdraaide, was hij niet ontevreden. Hij kocht echter spaarzaam. De rest van de duiten gingen in het potje. Het spaarpotje voor zijn Fleur. Haar aandacht was hem iedere nikkel waard. Steevast nam hij dan een bonte glaskraal voor haar mee die ze aan dunne satijnkoordjes om haar bed heen hing. Biggelend als gekleurde tranen.
Nee, het was niet de stem van de troubadour. Het was zijn eenzame hart dat mensen raakte.


Recente reacties