Zij ontwaakte vroeg en kwam naar buiten uit haar verblijf, terwijl de andere
vrouwtjesolifanten nog even doorgingen met slapen, alleen maar omdat William daar was en tegen haar sprak. Soms begreep zij bijna letterlijk wat hij zei, vooral op dagen dat hij wat triester, ongeruster of opgewondener was dan gewoonlijk. Hij was alleen, zonder vrouw of kinderen. Op een bepaalde manier begreep zij dat. Zij was ook alleen. In haar oorspronkelijke wereld, die van Tanzaniaanse savannes indien zij die ooit zou hebben gekend, zou zij in een grote kudde geleefd hebben. Een grote kudde van olifanten met hun jongen. Vrouwtjesolifanten die om beurten de zorg en bewaking over de jongen waarnamen. Grazend op onmetelijk lijkende savannes die uiteindelijk klein waren.

“Grazend op onmetelijk lijkende savannes die uiteindelijk klein waren.”
@ Jozef: ik zou toch wat voorzichtiger zijn met de poëtische kracht van zichzelf tegensprekende zinnen. Aangenomen dat je een beeldend, beschrijvend verhaal wil vertellen, is het erg verwarrend om niet zo oude, oude mannen en onmetelijke maar kleine savannes voor te stellen.