Verdwaasd opende ik de deur, om mezelf vervolgens op een stoel neer te laten ploffen. Mijn moeder kijkt om, knikte, en met een glimlach boog ze zich weer over de pannen. Vermoeid sta ik op, mijn benen hebben iets weg van een drilpudding die op het punt staat in te storten, zodat alles wat je overhoudt aardbeiensap en gelatine is. Ik hoopte bij mezelf dat we niet voor de zoveelste keer lever aten. Of kliekjes, nog erger.
Ons huishouden bevindt zich zo ongeveer in 200 voor Christus. ‘Ik heb echt honger!’ Zeg ik en schuif aan. Dan kijk ik op m’n bord. Lever. Mijn moeder geeft me een afkeurende blik en zegt: ‘Kindertjes in Afrika hebben honger. Jij hebt trek.’

Recente reacties