Ooit dwaalden dromen door donkere nachten in het diepste jaargetijde. De maan scheen, de wind blies hard door de takken van bomen. De dromen koelden gevaarlijk af tot het vriespunt, daar kunnen dromen niet tegen.
Een loslopende kabouter met baard ving een droom van een meisje van vijf jaar. Ze wilde Sinterklaas een papieren zakje vragen om als ballon in haar kamer te hangen. In dat zakje wilde ze haar dromen vangen en bewaren totdat ze groot was.
De kabouter raapte een vieze zak op, maakte het schoon en schoof het onder de deur van de meisjesslaapkamer. Het meisje vond het en bewaarde al haar dromen.
Toen ze groot was schreef ze al haar dromen op; het werd haar debuut.


Een mooie droom die alle stukjesschrijvers hier (denk ik)dromen. Zonder dat soort dromen is er wat mij betreft ook geen schrijven.
Herkenbaar voor veel (wannabe) schrijvers, denk ik. Of het een sprookje is? H, er komt wel een kabouter in voor. Wanneer is iets eigenlijk een sprookje?
Ik zoek het meteen op. Volgens VanDale: “Oorspronkelijk mondeling overgeleverde vertelling waarin bovennatuurlijke wezens en verschijnselen voorkomen”
Mooie titel.
Mooi sprookje.
x
Mooie titel inderdaad! Maar je eerste zin is misschien nog wel mooier …
Annemiek, Hay, Bloem en Trenke, dank jullie voor de reactie. Mijn eerste zin vind ik ook mooi en ja het is een sprookje waarin de kabouter als het bovennatuurlijke kan worden gezien.
Het was ooit een verhaal van mijn oma. Eerder een verzinsel?
Wat leuk dat je een verhaaltje vanje oma kon (her)gebruiken! :”-)