Al de hele dag zitten we in de auto, richting de camping. Er lijkt geen einde te komen aan de eindeloze lap asfalt van de snelweg.
“Jij bent.”
Ik slaak een zucht. Uren spelen mijn zusje en ik nu al galgje.
“De M.”
“Fout.”
Ik kijk naar de letters in haar schriftje.
“Is het ‘kernreactor’?”
“Goed zo!”
Ik draai me weg naar het raam. Ik wil niet meer.
Dan zie ik mijn vader vaart minderen. Ja, eindelijk! Zouden we er zijn?
Maar nee, we blijken voor een tankstation te stoppen. Ik open kort het portier. De vieze lucht van benzine dringt mijn neusgaten binnen.
Dan rijden we verder, en mijn zusje slaat de pagina van haar schrift om.
“Jij bent.”

Deze vind ik ook goed. De sfeer goed weergegeven. Ik voel de verveling.
Of ik ook in de auto zat …
Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet … en het is …
We zijn er bijna … we zijn er bijna …
En we gaan nog niet naar huis … nog lange niet …
@Gustav. Mooi vervolg!
– aan eindeloos komt vanzelfsprekend geen eind; eindeloze is overbodig;
– voor een tankstation, bij een tankstation.
@Gustav, ik weet nu even de vorige niet meer, maar deze vind ik echt heel treffend geschreven, ik ruik die vieze walm al. Gelukkig (…) waren mijn broertje en ik vaak te wagenziek om te kunnen lezen, laat staan galgje te spelen.
Bedankt, allen, voor de reacties!
@Lisette: Die misselijkheid is herkenbaar. Op zulke momenten blijft er alleen nog een autoradio over, ter afleiding.
Goed beschreven. Autoritjes van vroeger. Tegenwoordig doen we spelletjes op onze mobiel.