‘De appel zal niet ver van de boom vallen… schat’ waren de laatste woorden die ik mezelf tegen haar hoorde prevelen terwijl mijn handen haar stevig op de rand van onze flat vasthielden.
Haar betraande ogen die nimmer hun aantrekkingskracht op mij verloren hadden keken mij vol ongeloof aan alsof ze zelfs nu nog niet wilde weten dat zij het was die ver over de grens van alles wat aan fatsoen in een mens kon zitten had overschreden.
Jarenlang had zij op haar mobiel zitten flirten met een man waarvan zij dacht dat ik het bestaan niet wist. Elke nacht lag ik met betraande ogen te luisteren naar haar getik en ademhaling.
‘Vanaf nu mag je bij hem zijn… schat’

Recente reacties