Dat groentje gisteren bleek een gannef te zijn. Hij had zijn poten in de verkeerde tas gestoken en was, nadat hij was uitgeglejen, door de rausjende rus in de kraag gegrepen.
“Dat afzakkertje zou hij in de lik wel krijgen”, had dat wousje gezegd.
Hij had niemand willen besodemieteren. Hij was gewoon een doeilijer, volledig naar de gallemieze. Hij peesde al zijn leven lang, had zijn kanis er even niet meer bij gehad en wilde wat snaaien voor zijn grommetje van drie.
“Kijk die chaya, die heeft meer dan genoeg”, had hij tegen zijn tjabo gezegd. “Zij kan wel een paar knaken missen.”
Hij kwam, alweer, niet thuis die avond. Zijn grommetje bikte bij zijn opoe. Zij kreeg zijn tjoem.

Recente reacties