Weer komt Karel thuis met een kegel
Hij ploft neer op de bank
Uit zijn mond walmt de stank
Geen uitzondering maar een regel
Lodderig staart hij me aan
Zijn haar is verward
Zijn geest is verstard
Niet bewust van mijn bestaan
Op zijn schoot het bord met macaroni
Luid smakkend en ongegeneerd
wordt het voedsel door hem verteerd
Zijn gezicht lijkt steeds meer op een tronie
Ik kijk naar zijn foto op de kast:
slank, charmant, vol levenslust
lippen die me hebben gekust
handen die me hebben betast
Blijven of gaan, slikken of stikken
Wikken, wegen, besluiteloos
Beurtelings verdrietig of boos
Dan hoor ik hem plotseling hikken.
Het doek valt. Nu is het genoeg
‘Wegwezen, verdwijn naar de kroeg.’


@Nel, ik vraag me af of jouw Karel en ‘mijn man’ broer zijn. Ik vraag me ook af of jij zou willen ruilen met mij. Lol. Je zult begrijpen dat ik jouw tekst tot in alle details aanvoel en je mij als lezer alle ruimte geeft. Het meest vermakelijke is ‘het hikken’ na alle wanstaltigheid, reden dat de man moet gaan. Hartje.
Mooi!! <3
Mili, dank je. “Mijn” Karel en jouw “Man” zijn waarschijnlijk achterneven. 🙂
Dank je wel, Marlies.
@Nel. Ik ruik en zie de man. Wat een ellende! Goed beschreven.
Alleen het lallen ontbreekt er nog maar aan. Ik zeg, laat gaan die banaan. Van gedicht naar gesticht. Top geschreven.
Han, hartelijk dank!
Mien, je dicht vrolijk verder 🙂
Inderdaad geen gelal van deze bal