Er zit een kwaadaardig mannetje in mijn hoofd. Hij knipt verhalen in stukken en lijmt compleet willekeurige fragmenten dan zo aan elkaar dat mijn reparatieploeg er niets mee kan.
En nog bleef het regenen, waterdruppels zo groot als tennisballen.
“Wat moeten we?” jammerde ik.
“Het bed!” zei Jörg.
Dat was een goed idee, we demonteerden het houten bed, en fabriceerden een vlot van de losse planken.
“Je bent alles wat ik in een man zoek,” zei ze.
Hij kon niet anders dan innemend glimlachen en haar nogmaals strelen.
“Wat?” zei ze plotseling, “het is of ik iets hoor. In je hoofd!”
“Ja,” zei ik, “dat zeg ik al de hele tijd: een kwaadaardig mannetje. Hoe kom ik van hem af?”

Gijs, het spijt me, maar na vijf keer lezen (!) kan ik er nog steeds geen touw aan vastknopen. Misschien probeer ik het na het eten nog een keer.
p.s. Toch nog een keer gelezen. Misschien ben ik vandaag wat langzaam van begrip.
Leuk, flarden…
<3
@Gijs, een schizofreen wellicht?
Hi Gijs,
Knap gedaan, ik ontdek er iedere keer iets anders moois in 🙂