Op het grasveld ligt een deur.
De deur gaat open en er verschijnt een man met een lange jas en een puntmuts. Daar wil je meer van weten.
Je gaat naar de deur, doet hem open, en loopt door een gang. Aan het eind van de gang is weer een deur. De aarde blijkt plat en zo’n zestig meter dik.
Een kleermaker stapt op je af. “Alstublieft, meneer, uw jas,” en je doet de lange jas aan die hij je geeft. “En uw hoed,” en hij zet je een grote puntmuts op.
Dan ga je weer terug.
“Die kleermaker moet ik onthouden,” denk je, “zo vlot ben ik hierboven nog nooit geholpen. Het lijkt zelfs of ik tijd gewonnen heb.”

Een fantastisch verhaal, Gijs. Mooi in de je-vorm geschreven.
Ik wil ook wel zo’n jas. 🙂
Ik zie je nog wel eens een mooie verhalenbundel voor kinderen schrijven. Zij zijn (ook) dol op dergelijke verhalen.
Heerlijke fantasie. Laat ik me graag door meenemen.
@Nel, @Levja: dankjewel.
Ik zag tijdens een lunchwandeling met een collega een deur liggen op het wateroppervlak van een sloot. We filosofeerden erover wat er zich achter die deur bevond. Dat werd dit verhaal.
Leuk hoe verhalen ontstaan 🙂