Johnny was teleurgesteld. De promotie was weer aan zijn neus voorbij gegaan. Hij snapte het niet. Zijn evaluaties waren uitstekend en toch greep hij er telkens naast. Hij zou er kunnen mee leven moest het gaan om collega’s met meer ervaring dan hij, maar nee. Het waren de snotneuzen, die net van de schoolbanken kwamen, die met de hoofdprijs gingen lopen. Diegenen die hij, bovendien, wegwijs maakte en de kneepjes van het vak leerde. De maat was vol. Hij zou het niet meer over zijn kant laten gaan. Morgen zou hij met de baas praten.
De chef liet hem zijn hart luchten.
“Sorry, Johnny. Mijn handen zijn gebonden. Zij is ook een kleindochter van de oprichter …”
Johnny slofte verslagen weg.

Zuster Els,
Helaas raak ik verstrikt in zin vijf.
Maak je me los?
Zo gaat dat, ja. Erg, hé! H
Och, hoeveel nazaten zitten hem nog op de hielen? Arme Johnny….
VmetdeVork, het zijn nieuwe collega’s die altijd over zijn hoofd springen. Daar heeft hij het lastig mee. Hij zou het kunnen aanvaarden mocht het gaan over mensen met meer ervaring dan hij. Is het zo duidelijker?
Inderdaad, buitenboek
Ik hoop dat het volgende keer toch eens voor hem is weggelegd, AliceHuiberts 🙂
Zin 5 moet zijn: Hij zou ermee kunnen leven… (of er mee? In ieder geval staat ‘kunnen’ op de verkeerde plek.
Herkenbaar hoor. Het voornemen om er NU wat aan te doen, maar als puntje bij paaltje komt sta je weer met je mond vol tanden.