Huiverend loopt de vluchteling door de straten van de vreemde stad. Hij heeft geen thuis meer, geen plaats waar hij veilig is. Nergens is hij welkom.
Zijn wortels heeft hij lang geleden al verloren. Hij strompelt doelloos rond, weet niet waar hij het zoeken moet.
Voor zijn geestesoog verschijnen steeds weer vreselijke beelden van brandende huizen, de lijken van zijn familieleden en vrienden onder het puin van zijn stad. Zij zijn dood.
Hij heeft alles achter zich gelaten omdat hij wilde leven, hij heeft het op een lopen gezet en is gevlucht voor de bommen. Maar het heeft geen zin meer om te rennen, welke richting moet hij nemen?
Dan staat zij daar, met open armen. Zij vangt hem op.


Heel realistisch stukje. Ik werk in een medisch team van de GGD/vluchtelingenzorg en hoor daardoor veel verhalen en zie veel gebroken, verwonde mensen en kinderen. Deze ‘zij’staat met open armen. Zouden we allemaal moeten doen.