De bladeren werpen hun schaduw op het graf, van waaruit de boom lijkt te groeien.
‘Allemaal onzin,’ zei hij, maar wij geloofden hem niet.
Samen hadden we al vijfentwintig appels op. De pitjes verzamelden we in een bakje.
‘Ik word misselijk.’
We zaten met zijn drieën aan de keukentafel. Appels genoeg, buiten lag de boomgaard.
‘Ik bewijs het. Jullie eten zoveel appels als je kunt en ik slik alle pitten door.’
We waren pubers met bewijsdrang. Als je een pitje doorslikt, kan er een boom in je darmen groeien. We hadden net het verhaal gelezen over een ontkiemde erwt in een long.
‘Echt, kan niet. Geef mij het bakje maar.’
Tweehonderdvijftig pitten. Zesendertig jaar geleden. Ik heb nog steeds buikpijn.


echt pubergedrag, leuk stukje