Daar zit hij dan: langs de waterkant geduldig wachtend: De hengelaar. Het water klotsend aan zijn voeten. Wat valt er meer te doen dan zitten en wachten op wat komen gaat? Je weet het immers nooit maar daar gaat het nou net om: die onzekerheid: leven op het randje! Zwijgend pakt hij een paar boterhammen – die zijn vrouw gesmeerd heeft – uit zijn broodtrommel. ‘Brr, alweer zult! Vanavond zal hij er wat van zeggen tegen ‘r. Ze snapt niét!’ Hij mompelt het voor zich uit. Urenlang. Turend naar z’n dobber. Die drijft daar en gaat maar niet onder want dat doet de zon al. ‘Ik had beter dié kunnen gebruiken‘ besluit hij. Dan had ik tenminste één keer beet gehad vandaag.’

@Berio, je zet een aardig sfeerbeeld neer, maar de interpunctie van je stuk laat zo te wensen over dat het stuk niet prettig leest.