Hoewel ze de kou van de ijzeren bank door haar jas voelt trekken, peinst ze er niet over om op te staan. Gebiologeerd staren haar ogen naar de rode dobber in het midden van de vijver. De wind blaast kleine golfjes rondom, maar het blijft als een anker, steevast op z’n plek.
Ze probeert met haar gedachten het ding los te maken, het een vrijheid te geven om meegevoerd te kunnen worden op de stroom. Maar er gebeurt niets. Het is een aaneenschakeling van momenten waarin alles beweegt maar dat ene punt stil blijft. Haar verlangen naar beweging slaat om naar berusting. De onverstoorbaarheid van dit stukje rood in het water krijgt haar bewondering. De kou maakt plaats voor kalmte.


\o/
Dit zinnetje wringt voor mij:
Gebiologeerd staren haar ogen naar de rode dobber
–> het is zij die gebiologeerd is, niet haar ogen
De berusting breng je goed over.
Ja, klopt, heb zelf ook getwijfeld over die zin. Personificatie van de ogen. ; ) Maar het wringt inderdaad. Bedankt voor je reactie Hekate!