Wit, heel veel wit om me heen. In de verte klinken vage voetstappen. Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik beelden in allerlei vormen en kleuren aan me voorbijtrekken.
Dan gaat de deur zachtjes open. Er klinkt een stem: “Je bent er weer.” Ik wil antwoorden, maar er vormen zich geen woorden.
Je legt je handen op mijn wang, ik voel je nabijheid als een warme deken van troost op mijn koude lichaam.
Langzaam glijd ik weg, het wordt zwart om me heen. In het donker zie en hoor ik borende botnaalden, doordringend en scherp. Ik voel hoe ze bezit nemen van mijn lichaam. Ik schreeuw: “Waar ben je?”
“Oh, verlossend licht, troost en bescherm me in deze diepe duisternis.”


Mag zelfkritiek hier ook?
Ik vind achteraf de titel niet zo goed gekozen, ik zou deze liever veranderen in ‘Schemer’: de toestand tussen waken en dromen, licht en duisternis, waan en werkelijkheid, die iemand kan ervaren, als hij langzaam bijkomt uit een narcose.
Kritiek zeer welkom, ook negatieve, wel graag onderbouwd, want daarvan kan ik leren.
Ik kan het stukje hier niet aanpassen, omdat ik die bevoegdheid niet heb, maar kan erover nadenken.
2Nel. Hoe je het ook wendt of keert Nel, het blijft een duister gebied. Ik zou er niet zo moeilijk over doen. Het allerbelangrijkste is dat het lijdend voorwerp er goed uitkom. Fijne zondag. Nel, nog bedankt voor je reactie. Hartelijke groet, Mir.
@Nel. Wat denk je van mijn duimen als titel. Dat had duimdraaien moeten zijn. Maar iemand vraagt niet gauw: ‘zou je willen duimdraaien voor mij?’ Als ik hierover dieper nadenk dan zie ik mijn duim in de bankschroef zitten. Ik houd het dus maar gewoon bij het duimen Nel. Nogmaals de hartelijke groetjes, Mir.
@mir dank voor je reactie Het gaat hier uiteraard om fictie. Bij elke toon van een verhaal past weer een andere titel Ik heb gekozen voor de niet zo luchtige toon en maak er een existentiële ervaring van.
De zuster zei welterusten en ik wilde welterusten terug zeggen, maar dat lukte niet meer. Weg was ik, in de duisternis.