“Daar moet je niet in gaan zitten, kind.” Petemoei was altijd streng daarin, terwijl de stoel er zo aanlokkelijk uitzag met al zijn glimmende knoppen, schitterende wijzerplaten en comfortabel pluchen zitting. “Het is geen stoel,” zei Petemoei ook. “Het is een zetel.” Verder wilde ze er niets over kwijt.
Simon wachtte tot Petemoei weg was. Hij kroop op het pluche. Even keek hij naar de wijzertjes, metertjes, knopjes, palletjes en schuifjes. Hij speelde ermee, tot hij de roep van de rode knop gehoorzaamde.
Flits!
Simon belandde ver weg, in een krot waar Petemoei, die oude heks, over een stinkende kookketel met kinderlijkjes stond gebogen. Met verkrampte darmen bediende de jongen de panelen, de toverzetel kwam echter niet meer in beweging.


Ja, die stoel zet ‘m goed te kakken.