De dag van de geschiedenis. De aanslag, de verwoesting. Ik weet hem nog goed.
De laatste minuten had ik in een auto doorgebracht. Een onbekende auto. Met een onbekende bestuurder.
Hij heette Ivan. Ik kon meerijden tot het station. Ik zei hem dat ik nog nooit in een Smart had gezeten. Dit was voor mij de primeur. Hij moest lachen, en tipte zijn sigaret af. Vrienden pestten hem er ook altijd mee.
Ivan bleek militair. We praatten wat over oorlog, daar, tijdens onze laatste seconden.
Hij zei: “Ik ben niet bang. Alleen angstig.” We reden het overvolle stationsplein op. “Dat houdt me scherp, namelijk.”
Nooit heb ik hem durven opzoeken na die dag. Ik zou me er onherroepelijk voor schamen.

Het verhaal lijkt een open einde te hebben, maar bij nader inzien en herlezen snap ik de ontknoping niet omdat genoemde details niet in het gehele plaatje passen.