Het was de eerste namiddag in de lente en ze fietste door het bos naar huis. Een merel floot en de lucht geurde van beloftes. Zij merkte het niet want ze was bang voor wat komen ging, ondanks het feit dat ze zeker wist dat ze die morgen in goede harmonie thuis was weggegaan. Haar moeder had haar uitgezwaaid en haar vader had een grapje gemaakt. Er kon heus niks mis zijn. Toch was ze onrustig en fietste hard door omdat ze de onzekerheid niet kon verdragen. Eenmaal op de oprijlaan wist ze het zeker: foute boel. Haar moeder knikte kort toen ze binnenkwam met roodomrande ogen. Vader was de heg aan het snoeien en zei: “We moeten zo praten”.

Voelbaar