Kees en ik waren tien, die lente dat we Driekus ontmoetten. Hij woonde in een caravan in het bos en leerde ons te overleven: pijlen te snijden, ons te verstoppen en zo. Soms spijbelden we.
Op een dag had mijn moeder een betraand gezicht. Ze staarde naar mijn modderschoenen. ‘Geen zorgen,’ zei mijn vader, ‘beantwoord gewoon de vragen van de politie.’ Verdomme, is spijbelen zo erg? Ik ben geen verrader, dus zei natuurlijk dat ik Driekus niet kende.
[Drieëndertig jaar verder]
Kees is opgepakt voor bezit van kinderporno, de idioot. En ik? Ik ben leider van het jeugdvoetbalteam. Nooit getrouwd, ingewikkeld verhaal. Als ik Driekus tegenkom zal ik hem steken met een zelfgemaakte pijl. Dan houdt het misschien eindelijk op.

In-triest. Mooi sober, vanuit een onschuldig kind verteld, zodat het extra hard aankomt.
Dit komt aan.
Heftig stukje @Leonardo.
Er mist een aanhalingsteken na “is spijbelen zo erg?”
@Irma, Levja, Gerda.
Ik ben verheugd dat jullie de subtekst herkennen.
@Gerda
Nee, Gerda. ‘Is spijbelen zo erg’ is een gedachte, en die krijgen geen aanhalingstekens. Het sluitende aanhalingsteken staat na ‘politie’.
@Leonardo.
Oeps, even verkeerd gezien.
Sorry.
@Leonardo, een hele geschiedenis in 120 woorden. Mooi geschreven.
@Leonardo, goed verhaal en goed verteld.
Waar jij schrijft: [Drieëndertig jaar verder] zou ik een witregel inlassen. De zin daarna zou ik beginnen met: Drieëndertig jaar later is Kees (…) enz.