‘Dat is toch geen vlieger!’
‘Echt wel.’
‘Laat eens zien dan.’
We staan op ons trapveldje, de zomervakantie loopt op zijn eind. Het zijn de dagen dat je stiekem weer verlangt naar school. Er is inmiddels te vaak gevoetbald. We doen van alles en niets en dagen elkaar terloops een beetje uit.
Mijn vlieger is van plastic. Hij heeft de romp van een vliegtuig met roterende vleugels. Ik heb hem gekocht aan het strand in Frankrijk. Daar was meer wind dan hier.
‘Kijk maar.’
Ik ren mijn benen uit mijn lijf en blijf achterom kijken. Als ik even mijn hoofd omdraai bots ik hard tegen de enige boom op het veld.
‘Maar hij vloog wel’, hoor ik vaag iemand zeggen.


Auch! Leuk stukje Hadeke 🙂
@Hadeke Goed en mooi geschreven. Heel beeldend ook.
@Hadeke, wat een mooi vakantiegevoel schets je in het stukje, heel herkenbaar. Goed geschreven.